Hoe chocolade van Azteekse valuta naar Europese favoriet ging

12

Chocolade is niet alleen een traktatie. Het is een historisch artefact verpakt in folie. De Azteken aten niet alleen cacao. Ze aanbaden het. Volgens de legende bracht Quetzalcoatl, de gevederde slangengod van de wind, cacaobonen uit de hemel naar beneden. Voor de inheemse bevolking was dit geen tussendoortje. Het was heilig.

Ze boden het aan de goden aan. Ze gaven het aan koningen. De Azteekse heerser dronk naar verluidt elke dag chocolade. Het werd niet als een stevige reep gegeten. Het was een vloeibaar ritueel. De bonen waren zo waardevol dat ze als betaalmiddel dienden. Voor een konijn had je tien bonen nodig. Honderd bonen kochten een slaaf.

De Spanjaarden missen het punt

Toen kwam Christoffel Columbus. Vijfhonderd jaar geleden landde hij op Guanaja, een eiland voor de kust van Honduras. De lokale bevolking begroette hem met geschenken. Onder hen bevond zich een zak bruine cacaobonen. Columbus staarde hen aan. Hij had geen idee wat hij ermee moest doen. De eilandbewoners hebben niet zomaar het rauwe product overhandigd. Ze lieten hem zien hoe je tchocolatl maakt. Ze maalden de bonen. Ze voegden kruiden toe. Ze vermengden zich met water.

Het resultaat was een schuimig, scherp, bitter brouwsel. Het leek in niets op de zoete melkchocolade die we vandaag de dag kennen. Columbus nam een ​​slok. Hij haatte het. Het was te bitter. Te vreemd. Hij keerde de bonen de rug toe. Hij liep weg van een fortuin.

Een langzame realisatie

Het ontslag van Columbus was niet het einde van het verhaal. Het was gewoon een vertraging. Zeventien jaar later, in 1519, arriveerde er een andere Spanjaard. Hij keek anders naar dezelfde bonen. Hij zag waarde waar Columbus niets zag. Hij herkende het potentieel van cacao. Dat moment markeerde het begin van de reis van chocolade naar het Europese hof. Maar het begon met een misverstand. En een gemiste kans.